CE Delft-rapport 'Effecten van CO2-beprijzing in de industrie'

Het Regeerakkoord kent als doel om in 2030 49% reductie in de uitstoot van broeikasgassen te realiseren ten opzichte van 1990. Eén van de aangekondigde maatregelen om dit doel te bereiken is de introductie van een CO2-minimumprijs voor elektriciteitsproducenten in 2020. De minimumprijs moet jaarlijks oplopen van €18 in 2020 tot €43 in 2030.

Met het oog op de onderhandelingen voor de invulling van het Klimaatakkoord bestaat de vraag welke effecten uitbreiding van de CO2-minimumprijs naar de industrie die onder het ETS valt zou kunnen betekenen. Deze CO2-minimumprijs dient daarbij verondersteld te worden gelijksoortig te zijn aan de maatregel die is aangekondigd in het Regeerakkoord. Deze wordt vormgegeven als een nationale heffing die, tezamen met de ETS-prijs, leidt tot een minimumprijs die industriële partijen dienen te betalen voor elke ton CO2(-equivalent) die zij uitstoten.

In deze studie is onderzocht wat de effecten van een dergelijke heffing zijn voor de meest energie-intensieve industriële sectoren: ijzer en staal, petrochemie, industriële gassen, kunstmest, voedings-middelenindustrie, raffinaderijen en de papierindustrie. Daarbij is uitsluitend gekeken naar het effect van de CO2-heffing op de ontwikkeling van de kostprijzen, de behaalde CO2-reductie én de concurrentiepositie van de industrie, waarbij de invloed op de concurrentiepositie wordt vermeld als potentieel verlies aan toegevoegde waarde, koolstoflekkage en werkgelegenheid.

In de eerdere versie van de studie 'Effecten van CO2-beprijzing in de industrie' zijn twee fouten geslopen. Deze fouten zijn door CE-Delft gecorrigeerd. Hier vindt u een nadere toelichting op de wijzigingen.

Zie ook